Wat is zweefvliegen?

Zweefvliegen is vliegen zonder motor. Het zweefvliegtuig wordt omhoog getrokken door een sleeptoestel of een lange kabel (lier) tot een hoogte van +- 500 meter. Daarna is het zweefvliegtuig volledig op zichzelf aangewezen.

Hoe blijft een zweefvliegtuig boven?

Zeer simpel, door gebruikte maken van thermiek. Thermiek is eigenlijk niets anders dan lucht die stijgt tengevolge van het warm worden van het aardoppervlak. Hoe warmer het aardoppervlak en hoe kouder de bovenste luchtlagen, hoe krachtiger thermiek zal zijn. Soms gaat deze stijgende luchtmassa wel tot 3000 meter hoogte. Wanneer een piloot in deze stijgende luchtmassa vliegt gaat zijn zweefvliegtoestel als het ware stijgen. Op deze manier kan een piloot wel 8 uren blijven vliegen zonder motor.

Onderstaande figuur geeft een duidelijk beeld van wat thermiek is. Het gele veld wordt warm door de zon en op een gegeven moment komt de warme lucht los van de grond en begint te stijgen. Gelijdelijk aan koelt de lucht af en bereikt het dauwpunt waar de cumulus-wolk gevormd wordt. Uiteindelijk wordt de lucht zo koud dat ze terug begint te dalen (blauwe gebied foto). Het rode gebied (thermiek) is interessant voor zweefvliegers.

Hoe kan een zweefvliegtuig afstand afleggen en welke snelheid heeft het?

Wanneer een piloot een bepaalde hoogte heeft, dan kan hij deze hoogte in afstand omzetten. Door naar een plaats te vliegen waar zich stijgende lucht bevindt, bijv. 10 km verder en dan opnieuw hoogte te winnen kan hij grote afstanden afleggen. Op een goede dag zijn afstanden van 500 km in België geen uitzondering.

De normale snelheid van een zweefvliegtuig ligt rond de 90 km/u. Tijdens duikvluchten worden snelheden van 300 km/u mogelijk.

Hoe weet een piloot waar er thermiek is?

Warme lucht stijgt maar tijdens het stijgen koelt deze lucht af. Op een bepaald moment bereikt deze stijgende lucht de temperatuur van het “dauwpunt”, het punt waar wolken ontstaan. Dit is de reden waarom er op een mooie lentedag vanaf 11:00 ’s morgens de kompleet blauwe lucht gevuld wordt met schaapjeswolken (cumuluswolken). Tegen de avond verdwijnen deze wolken weer omdat het aardoppervlak niet warm genoeg meer is om de lucht voldoende te verwarmen.

Wanneer je dus een cumuluswolk ziet, dan weet je ook dat onder deze cumuluswolk zich stijgende lucht bevindt. Het komt er dus steeds op aan om onder deze wolken te gaan vliegen zodat de nodige hoogte gewonnen kan worden.

Ervaring van het vliegen zonder motor.

Wanneer je op een avond op 1500 meter boven het Zilvermeer hangt en in kompleet rustige lucht terug naar Genk moet vliegen, geeft dit een bijzonder rustgevend gevoel. Als je berekeningen kloppen weet je immers dat je zweefvliegtuig met 1500 meter hoogte een afstand kan afleggen van +-45 km. Vermits je toestellen aan boord zeggen dat het Zilvermeer op 35 km van Zwartberg-Genk ligt kan je ook meteen uittellen dat je in principe boven Zwartberg moet arriveren met een hoogteverlies van  1150 meter. Bovendien liggen er tussen het Zilvermeer en Zwartberg nog twee vliegvelden (Keiheuvel en Leopoldsburg) waar je eventueel kan landen.

Het gebeurt ook vrij dikwijls dat tijdens wedstrijden het uiterste van de vliegtuigen gevraagd wordt en dat een piloot niet meer kan landen op een vliegveld. Noodgedwongen wordt er dan in een weiland of akker een landing gemaakt. Dit noemt men “buitenlanden” en het is dan aan de “ophaalploeg” om het zweefvliegtuig met een lange aanhangwagen terug te brengen naar het vliegveld. Buitenlanden in het zweefvliegen is een standaard procedure die iedere piloot moet beheersen.